fagerhult_indoor_workplaces.jpg

Verlichting van werkplekken binnen

De volgende tekst is een samenvatting van de hoofdlijnen van de Europese norm voor de verlichting van werkplekken binnen, EN 12464-1. In Nederland kan de in het Nederlands vertaalde norm besteld worden bij de NEN in Delft, die daarnaast ook algemene informatie verstrekt over andere Nederlandse en buitenlandse normen. Aangezien een norm zich in het algemeen niet zo gemakkelijk laat lezen, is er in de meeste landen een toelichting op de norm verkrijgbaar die de norm in leesbaarder, lopende tekst met illustraties en tabellen praktisch toelicht. In Nederland heeft de NSVV deze toelichting op de EN 12464-1 uitgebracht.

Verlichting van werkplekken

De Europese standaard EN 12464-1 betreft de verlichting van werkplekken binnen. De in de norm vereiste minimale verlichtingssterktes betreffen voornamelijk het taakgebied en niet zoals in de oude norm de hele ruimte. De verlichting rond het taakgebied wordt vervolgens aangepast aan de geldende voorwaarden voor het taakgebied, d.m.v. verhoudingen.

Idee hierachter is dat een ruimte hierdoor gevarieerder (in lichtsterkte) verlicht wordt. De verlichtingssterktes kunnen echter als volgt worden aangepast als de visuele voorwaarden afwijken van de normale situatie.

20–30–50–75–150–200–300–500–750–1000–1500–2000–3000–5000 lx

De vereiste verlichtingssterktes moeten in moeilijke werkomstandigheden, bij werkzaamheden die grote nauwkeurigheid of een hoge productie vereisen, bij zichtobjecten met kleine details of laag contrast, bij verminderd gezichtsvermogen of bij langdurige visuele werkzaamheden worden verhoogd.

De eisen aan de verlichtingssterktes kunnen bij abnormaal grote zichtobjecten en hoog contrast of bij zeer kortdurende visuele werkzaamheden worden verlaagd.

Op werkplekken waar continu wordt gewerkt (normaliter meer dan twee uur) mag de verlichtingssterkte niet lager zijn dan 200 lx. Bij de aanbevolen waarden is uitgegaan van een werknemer met een normaal gezichtsvermogen. Als meerdere personen een verminderd gezichtsvermogen hebben, moet hiermee rekening worden gehouden bij de vormgeving van de verlichtingsinstallatie.

Verlichting van een zichtobject

Het hoofdprincipe is een zodanige lichtinval dat het hoogst mogelijke contrast op het object optreedt. Normaal gesproken ontstaat het hoogst mogelijke contrast als het licht schuin van achteren invalt. Een object kan horizontaal, verticaal of onder een hoek staan. Het object kan ook verschillende structuren hebben, mat of glanzend zijn en verschillende gecombineerde oppervlakte-eigenschappen hebben. Normaal gesproken wordt ervan uitgegaan dat een object een matte structuur heeft, maar in de praktijk komen verschillende soorten reflecties voor op verschillende werkplekken.

Basisvoorwaarde voor een goed visueel comfort op de werkplek is dat de stand en vorm van het taakobject in relatie tot de lichtrichting niet tot verblinding of verminderde zichtbaarheid door heldere armaturen en/of storende reflecties leiden.

Toepassingen