fagerhult_blandning_elljus.jpg

Verblinding door kunstlicht

Verblinding treedt op als lichtbronnen of armaturen een hogere luminantie hebben dan waaraan het oog is gewend en kan direct optreden, maar kan zich ook pas na langere tijd openbaren.

De mate van verblinding hangt af van de luminantie en grootte van de verblindende bron, de achtergrondluminantie waartegen de verblindende bron zich bevindt en de positie van die bron in relatie tot de kijkrichting. De luminantie van het armatuur, de grootte van de ruimte en een lage achtergrondluminantie en nabijheid tot de kijkrichting zijn factoren die verblinding vergroten.

In een verlichtingsplan moet de luminantie van het armatuur daarom altijd in relatie worden gebracht met de achtergrondluminantie. Hoe dichter het heldere vlak zich bij het oog (kijkrichting) bevindt, des te groter de kans op storende verblinding. Bij open armaturen, met name voor intensieve lichtbronnen met een grote lichtstroom, is het meestal zo dat de lichtbron zelf of een spiegelbeeld ervan in glanzende reflectoren of werkmateriaal voor een verblindend effect zorgt.

Een manier om verblinding bij dergelijke armaturen te verminderen, is het gebruik van matte reflectoren en grotere armaturen. Verblinding kan ook worden verminderd door de helderheid van de wanden en plafonds in de ruimte te vergroten door:

  • Met een deel indirecte verlichting te gaan werken, ofwel het plafond lichter te maken.
  • De armaturen dichter bij de wanden te plaatsen.
  • De wanden afzonderlijk te verlichten of wanden lichter te maken door een andere kleur (hogere reflectiewaardes).

Te heldere wanden in relatie tot het taakobject kunnen aanpassingsproblemen opleveren. De helderheid van de vlakken in de ruimte moet dan aangepast worden om een betere luminantieverdeling te realiseren.

Toepassingen