fagerhult_indoor_workplaces2.jpg

Principes voor het bepalen van het taakgebied en randgebieden

Het taakgebied is volgens EN 12464-1 dat deel van het werkgebied,waarin de taak wordt uitgevoerd. Voor plaatsen waar de grootte en/of plaatsing van het taakgebied onbekend is, moet het gebied waar de taak naar verwachting zal worden uitgevoerd, worden gezien als het taakgebied.

Het taakgebied bestaat meestal niet uit het gehele werkgebied/bureau. Zo is het taakgebied op een kantoorwerkplek meestal een kleiner vlak, waarin eventuele schrijf- en leestaken worden uitgevoerd. Voor beeldscherm- en toetsenbordtaken is normaal gesproken een lagere verlichtingssterkte nodig dan bij ander lees- en schrijfwerk. De verlichtingssterkte bij beeldschermwerk moet kunnen worden aangepast aan het omgevingslicht.

In een kantoor waar tekenwerkzaamheden worden uitgevoerd, kan het taakgebied echter wel de hele werktafel beslaan. In de industrie kan de grootte van het taakgebied nog meer varieren, van werkplekken voor taken met micro-elektronica tot een productielijn voor de assemblage van auto’s.

Als de precieze grootte van het taakgebied niet bekend is, kan normaal gesproken voor een werkgebied in een kantoor worden uitgegaan van een taakgebied van 0,6 x 0,6 m. Het taakgebied is in dit geval recht voor de persoon geplaatst aan de voorkant van het bureau. De variatie van de verlichtingssterkte, d.w.z. het quotient tussen de laagste verlichtingssterkte en de gemiddelde verlichtingssterkte in een taakgebied, moet zo klein mogelijk zijn en mag niet lager zijn dan 0,6.

In de tabellen van EN 12464-1 worden de eisen aan gelijkmatigheid afzonderlijk weergegeven voor elk type werktaak of activiteit.

Verlichting van het randgebied

De verlichting van het randgebied moet worden gerelateerd aan het  verlichtingsniveau in het  taakgebied en moet bovendien de voorwaarden scheppen voor een gebalanceerde  luminantieverdeling in het normale gezichtsveld. Te grote veranderingen in het verlichtingsniveau rond het taakgebied kunnen aanleiding geven tot visuele stress en een onprettig gevoel.

Het randgebied is de directe strook rond het taakgebied met een breedte van minimaal 0,5 m. De grootte van het randgebied wordt bepaald door de planner en moet voor bepaalde werkplekken worden vergroot tot > 0,5 m.

Het randgebied moet worden vergroot als:

- Het taakgebied klein is
- Het taakgebied een hoge 
   verlichtingssterkte heeft
- Bij bewegende werkzaamheden

De verlichtingssterkte in het randgebied kan lager zijn dan die in het taakgebied, maar mag gemiddeld niet lager zijn dan de waarden in onderstaande tabel.

De variatie van de verlichtingssterkte, d.w.z. het quotient tussen de laagste verlichtingssterkte en de gemiddelde verlichtingssterkte in het randgebied, moet zo klein mogelijk zijn en mag niet lager zijn dan 0,4.

1. Taakgebied (la x ba)
– grootte en plaatsing worden vastgesteld door de lichtplanner.

2. Directe omgeving (la x ba)
– grootte wordt vastgesteld door de lichtplanner (la+2x≥0.5 m)x(Wa+2x≥ 0.5 m).

3. Perifeer gebied
– 0,5 meter van de wanden van de ruimte of een strook van ten minste 3 meter in de directe omgeving.

Verlichting van het randgebied

In EN 12464-1 zijn geen eisen gedefinieerd voor de verlichtingssterkte in het perifere gebied (het gebied buiten het randgebied). Dit gebied wordt begrensd door aan de ene kant het randgebied en aan de andere kant een strook van 0,5 meter van de wanden van de ruimte, of tot een strook rondom het randgebied met een breedte van ten minste 3 m. De verlichtingssterkte binnen het perifere gebied moet minimaal een derde van de verlichtingssterkte binnen het randgebied bedragen.

De variatie van de verlichtingssterkte, d.w.z. het verschil tussen de laagste verlichtingssterkte en de gemiddelde verlichtingssterkte binnen het perifere gebied, moet zo klein mogelijk zijn. De gelijkmatigheid, d.w.z. de verhouding tussen Emin / Egemid mag niet lager zijn dan 0,1. In een werkruimte mag de verhouding tussen de verlichtingssterkte in het taakgebied en de laagste verlichtingssterkte in zones, waar geen werkplekken zijn ingericht (bijvoorbeeld voor communicatieruimtes), echter niet hoger zijn dan 5:1.

Als de vereiste verlichtingssterkte in het taakgebied 500 lx bedraagt en 300 lx voor het randgebied, mag de verlichtingssterkte in het perifere gebied niet lager zijn dan 100 lx. De laagste verlichtingssterkte moet worden berekend binnen een zone buiten het randgebied tot 0,5 m van de wanden van het vertrek of tot een strook rondom het randgebied met een breedte van ten minste 3 m. De verlichting rond het taakgebied moet bijdragen aan een goede adaptieve luminantie volgens hetgeen wordt beschreven in het hoofdstuk “Luminantieverdeling en luminantiebegrenzing”.

In een werkruimte met lichte wanden moet als stelregel worden aangehouden dat de verhouding tussen de verlichtingssterkte in het taakgebied en de gemiddelde verlichtingssterkte op de wanden in de ruimte onder normale gezichtshoeken niet groter mag zijn dan 3:1.

Verlichtingssterkte van het taakgebied
Verlichtingssterkte van het randgebied
Verlichtingssterkte van het perifere gebied ten opzichte van het randgebied
≥ 750 500 1/3
500 300 1/3
300 200 1/3
200 150 1/3
150 Etaakgebied 1/3
100 Etaakgebied 1/3
≤ 50 Etaakgebied 1/3

 

Gelijkmatigheid binnen taakgebied al naar gelang visuele taak en activiteit. Gelijkmatigheid binnen het randgebied min/gemid. minimaal 0,4. Gelijkmatigheid binnen het perifere gebied min/gemid. minimaal 0,1.

Toepassingen